Hoe volgen we de leerlingen?


Vaststellen beginsituatie
De eerste twee weken gebruiken we om het startniveau vast te stellen. Is de leerling al naar school geweest? Is hier informatie over? Kan het kind in zijn/haar moedertaal lezen (Latijns schrift of ander schrift). Wanneer de leerling al kan lezen, stellen we de leesvaardigheid in zijn/haar moedertaal vast.
Elke leerling vraagt een andere aanpak.
 
Ontwikkelingsperspectief
Voor elke leerling stellen we een ontwikkelingsperspectief (OPP) op. Hierin geven we aan wat de gewenste begeleiding is voor de betreffende leerling. Het is een compleet document. We werken met periodes van 10 weken. Voor elke periode worden doelen gesteld, deze worden geanalyseerd en bijgesteld. Verder noteren we hierin de beginsituatie, de positieve en belemmerende factoren en onderwijsbehoeften. Dit document dient tevens als overdrachtsdocument naar de stamschool. Elke 10 weken wordt het OPP gedeeld met de stamschool. 
 
Werken met streefdoelen
We gebruiken de streefdoelen als richtlijn. Deze passen we aan en stellen we bij, elke 10 weken. Ons doel is dat we gegevens in het OPP opnemen waar de leerkracht van de stamschool mee verder kan.
 
Het rapport
Twee keer per jaar schrijven we een rapport. Het rapport is vooral bedoeld voor de kinderen en ouders.
 
Zicht op vorderingen
Om vorderingen in beeld te brengen, observeren we de kinderen en toetsen we hen.
De volgende toetsen worden ingezet: